Deze maand doet mij weer beseffen wat ik volgens het papiertje van de Universiteit ben: politicoloog. Dat een politicoloog zelden in de markt terechtkomt waar hij/zij voor opgeleid is, dat kan ik beamen. Maar zodra de verkiezingsborden weer tevoorschijn komen, gaat er bij mij weer een vonk over en waan ik me weer even zeven jaar oud naast mijn moeder in de auto met een enorme speaker op het dak en mijn moeder die al rijdend mensen oproept te gaan stemmen. Misschien geen verantwoord rijgedrag in de huidige tijd, maar het is een mooier verhaal dan dat je nu als zevenjarige naast je moeder op een “politieke markt” achter het kraampje moet aanhoren dat de politiek niet deugt en je moeder een zakkenvuller is.

Tja de politiek deugt niet meer, dat vinden politici zelf ook en beginnen allemaal hun eigen partij; een ouderen partij als je ook maar je eerste grijze haren hebt ontdekt of een leefbare partij als je vindt dat je…. Ja wat eigenlijk?! De voorspellingen voor de opkomst zijn dermate laag dat er in sommige gemeenten niet eens meer sprake zal zijn van een meerderheid die komt stemmen. Hoe staat het dan met de democratische legitimiteit? De afstand tussen burger en politiek kan niet schrijnender duidelijk worden gemaakt: in Oekraïne vechten ze met inzet van eigen leven voor verkiezingen, wij geven liever nog een keer de plantjes water de 19de dan te gaan stemmen, want “ze” luisteren toch niet.

In Den Haag hebben ze naast al deze ontwikkelingen ook nog eens bedacht dat deelraden in de grote steden eigenlijk niet goed functioneren. Na twee periodes wordt de stekker uit de huidige vorm getrokken en komen er deftig klinkende bestuurscommissie voor in de plaats. Een extra bestuur, dat zal de kloof wel dichten ja. Hoe mooi is het dan om te merken dat er binnen de politiek ook krachten zijn om met een nieuwe invulling te komen van die bestuurscommissies, dichterbij de burger en het maatschappelijk middenveld. En hoe mooi is het dat PLUGdedag hier de vier weken van de verkiezingsmaand Maart over mee mag denken met de PvdA van stadsdeel centrum.

De eerste lunch komen allerlei wensen en ideeën naar voren; op de hoogte zijn van initiatieven die plaatsvinden, andere manieren van overleggen, meer betrokkenheid. Maar er knaagt iets in mijn achterhoofd. Twee weken geleden was er op het journaal een item over de, inmiddels drie, verkiezingstools die er zijn ontwikkeld voor de gemeenteraadsverkiezingen. Twee daarvan waren in 2010 ook al beschikbaar maar nog geen derde van het totaal aantal gemeenten had er daadwerkelijk een aangeschaft. Gemeenten zagen de noodzaak niet. Een kwestie van tijd zou je denken; in de informatiesamenleving speelt een dergelijk instrument een cruciale rol voor mensen om hun keuze te bepalen en daarmee ook de keuze om al dan niet te gaan stemmen. Daar hoef je geen politicoloog voor te zijn om dat te snappen. Het item heb ik driemaal toe teruggeluisterd, en ja de verslaggever zei het echt: in totaal is er in 80 gemeenten voor de inwoners een tool beschikbaar. 80…. We hebben er 304…. Het argument: bezuinigingen, er is geen geld. De vergaderingen per gemeenten die tot die besluitvorming hebben geleid, kosten al veel meer dan de € 5000 voor een dergelijke tool. Dat is evenveel als de aanschaf van een tweedehands Suzuki Alto of vier fietsen, zo plat is het. Dat leg je niet uit aan een burger, die snapt dat niet, dat leg je alleen onderling aan elkaar uit op een gemeentehuis. Tegelijkertijd kun je als overheid niet volhouden dat je druk bezig bent met open-data, de netwerksamenleving, de participatiesamenleving en dat je burgers centraal stelt in je informatievoorziening, als je niet anno 2014 de eenvoudigste en goedkoopste wijze aangrijpt om je burgers bij de democratie te betrekken.

Eelke Horselenberg