Elke keer weer valt het me op. In het lokale bestuur bestaat maar heel weinig behoefte aan politiek. Aan al die verschillende meningen en ideeën die – als je ze maar even goed laat botsen – tezamen veel slimmer, leuker en energieker zijn dan alles wat de beste ambtenaar of deskundige in zijn eentje kan verzinnen.

Vorige week nog sprak ik met acht gemeentesecretarissen, managers van gemeenten, over de verschuivende verantwoordelijkheden tussen gemeente en gemeenschap. Drie van de acht, stuk voor stuk vrouwen, namen daarin dat ándere perspectief aan; dat van de gemeenschap in plaats van de (eigen) gemeente. De andere vijf – niet allemáál man trouwens – hadden ook heus het beste voor met hun gemeente. Maar ze wilden wel heel graag zèlf definiëren wat dat was: ‘het beste’, en: ‘hun gemeente’.

Ons bestuurlijke systeem schuurt en kraakt, maar zij die er middenin zitten, hebben het niet echt in de gaten. Hoe kan het dat het openbaar bestuur – dat naar zijn aard juist open is en van ons allemaal – het zo weinig van openheid moet hebben? Mijn stelling is dat we simpelweg veel te weinig oefenen.
Net als heel veel andere dingen kun je het leren om open te staan voor anderen. Daarvoor hoef je niet al vanaf je geboorte een über-empathisch wezen te zijn. Maar dan moet je er wel moeite voor doen natuurlijk. Behalve het voeden van je verbeelding (met veel romans, veel films – FICTIE ALSTUBLIEFT!) helpt het ook om allerlei échte ervaringen te verzamelen. Van jezelf en van anderen. Daarom vind ik pluggen zo leuk. Steeds als ik er op woensdag bij ben, kom ik mensen, meningen, passies en problemen tegen die mij iets nieuws tonen, mij verrijken.

Begrijp me goed: Het verzamelen van al die ervaringen is er niet op gericht om ‘zomaar’ een inwendige database te vullen. Het gaat me er niet om dat mijn verzameling zo groot wordt dat ik in elk voorkomend geval het juiste idee, of de juiste oplossing ‘pasklaar’ op de plank hebt liggen. Het gaat me er juist om dat ik in die rijkdom van ervaringen leer te schakelen. Niet alleen dat ik leer welke oplossingen of belangen er allemaal zijn, maar dat ik leer en gevoel krijg voor de oplossingen en belangen die er allemaal zouden kunnen zijn.

Voor mij is de ware kampioen degene die in een debat of in het nadenken over een probleem niet alleen de perspectieven die aanwezig zijn vertegenwoordigt, maar ook de perspectieven die afwezig zijn, die er daarvoor nog helemaal niet wáren. En degene die het ter plekke opneemt voor wie er wel is, voor wie er niet is, voor wie er vóór ons waren, maar ook voor wie nog geboren moet worden, dat is voor mij de echte politieke held. Dat is dus oefenen geblazen. Want wat of wie er niet is, maar er wel zou kúnnen zijn, dat is heel wat!

Je zou (net als mijn filosofische heldin Hannah Arendt) kunnen zeggen dat politiek gaat om ‘wereld’. Met ‘wereld’ doelt ze op de ruimte tussen mensen, die het mogelijk maakt dat ze elkaar ontmoeten en in gesprek gaan. Arendt gebruikt voor politiek de metafoor van de tafel. Een tafel verenigt mensen die eraan plaatsnemen, maar maakt het tegelijkertijd mogelijk een meningsverschil letterlijk ‘op tafel te leggen’ en zo bespreekbaar te maken – en van elkaar te leren.

Met zijn allen aan één tafel; dat kan geen toeval zijn. Managermeneren en mevrouwen: GA PLUGGEN!